Drie minuten en tien seconden. Zolang kan een ijsbeer onder water blijven. Dat klinkt al indrukwekkend, maar het wordt nog gekker als je bedenkt dat dit dier óók dagen achter elkaar kan zwemmen. De naam klopt dus verrassend goed: Ursus maritimus betekent letterlijk zeebeer.
Wie denkt aan een beer, ziet al snel een dier voor zich dat bessen plukt of wat rondscharrelt in het bos. De ijsbeer past niet in dat plaatje. Dit is een jager van het zee-ijs, gebouwd voor kou, water en vooral voor één soort brandstof: vet. Veel vet.
De ijsbeer leeft meer op zee dan op land
De ijsbeer is het meest vleesetende lid van de berenfamilie. Waar andere beren vaak een gemengd menu hebben, draait het bij deze soort bijna helemaal om prooi uit zee. Vooral zeehonden zijn belangrijk, met name ringelrobben, baardrobben, zadelrobben en klapmutsen.
Dat heeft een simpele reden. Op het poolijs red je het niet met een magere hap. Een volwassen mannetje kan 300 tot 800 kilo wegen, met een gemiddelde rond 450 kilo. Zo’n lijf moet warm blijven, zwemmen, lopen en jagen. Daarvoor is energierijk voedsel nodig, en robbenvet levert precies dat.
Je vindt de ijsbeer dan ook waar zijn voedsel zit: op zee-ijs en langs de kusten van het Noordpoolgebied. Canada, Groenland, Rusland, Alaska en Noorwegen horen bij zijn leefgebied. Het Europese vasteland niet. Deze beer volgt het ijs, en het ijs bepaalt waar de jacht begint.
Wat eet een ijsbeer als robben niet voor het grijpen liggen?
De vraag wat eet een ijsbeer heeft een kort antwoord: vooral zeehonden. Toch is het menu breder zodra de kans zich voordoet. Een karkas van een walvis is bijvoorbeeld een buitenkans. Ook aas van walrussen, beloega’s en narwallen wordt gegeten. Verder pakt hij vis, zeevogels en eieren.
In de periode dat er minder zee-ijs ligt, verandert er iets. Dan eet de ijsbeer soms ook bessen, grassen, wilgenbladeren en mos. Dat maakt hem niet ineens een planteneter. Het laat vooral zien hoe sterk hij afhankelijk is van het ritme van het poolgebied. Plantaardig voedsel vult aan, maar vetrijke prooi uit zee blijft de hoofdzaak.
Dat verklaart ook waarom de jacht zo belangrijk is. Een grote rover op het ijs kan zich geen lange reeks magere maaltijden veroorloven.
Een ijsbeer jaagt met geduld waar je slaperig van wordt
Het beeld van een stormende roofjager klopt maar half. De ijsbeer wint vaak juist door stil te zijn. Een bekende jachtmethode is wachten bij een ademgat in het ijs. Een zeehond moet daar vroeg of laat bovenkomen om lucht te halen. De beer blijft dan roerloos in de buurt tot het moment daar is.
Dat wachten kan lang duren. Juist daarin zit zijn kracht. Geen wilde achtervolging, maar timing.
Hij jaagt ook op zeehonden in sneeuwholen, op het ijs en in het water. Soms sluipt hij laag over de vlakte. En dan is er nog zo’n detail dat bijna verzonnen klinkt: er zijn waarnemingen van beren die hun zwarte neus met een poot of een stukje ijs afdekken tijdens het besluipen. Op een witte vlakte valt zo’n donker puntje nu eenmaal op.
Die neus verraadt meteen nog iets anders. Een ijsbeer is niet echt spierwit. De vacht lijkt wit, maar bestaat uit doorschijnende, holle haren die het licht weerkaatsen. Daaronder zit een zwarte huid. Ook neus en lippen zijn zwart. Van dichtbij oogt zo’n pooljager dus minder sneeuwwit dan op foto’s vaak lijkt.
Waarom de ijsbeer niet uitglijdt op het pakijs
Een ijsbeer ziet eruit alsof hij voor dit landschap is ontworpen, en dat is ook precies de indruk die je krijgt als je naar de details kijkt. Hij heeft een kleine kop, een lange nek, kleine oren en een korte staart van 8 tot 13 centimeter. Dat helpt om warmte vast te houden.
De vacht bestaat uit twee lagen. De buitenste haren zijn lang en olieachtig, zodat water minder makkelijk blijft hangen. Daaronder zit een dichte, isolerende onderlaag. Handig, want deze beer brengt veel tijd door in ijskoud water.
Ook de poten zijn een verhaal op zich. De voetzolen kunnen tot 30 centimeter breed zijn. Dat werkt een beetje als sneeuwschoenen: meer grip op glad ijs en minder wegzakken in zachte sneeuw. Tussen de tenen zitten haren en zwemvliezen. Daardoor kan de ijsbeer niet alleen goed lopen op het pakijs, maar ook krachtig zwemmen.
En zwemmen doet hij dus serieus. Niet even een stukje peddelen, maar grote afstanden afleggen, soms dagen achter elkaar.
Hoe groot wordt een ijsbeer echt?
Op foto’s is het lastig inschatten, tot er ineens een mens of een sneeuwscooter in beeld staat. Dan zie je pas hoe enorm een ijsbeer kan zijn.
Mannetjes worden meestal 2,3 tot 2,6 meter lang en soms 3 meter. Het grootste gemeten exemplaar kwam zelfs op 3,7 meter. Hun gewicht ligt vaak tussen 300 en 800 kilo. Het zwaarste bekende dier woog 1002 kilo.
Vrouwtjes zijn kleiner. Zij worden meestal 1,8 tot 2 meter lang en wegen vaak 150 tot 300 kilo. Na een succesvol jachtseizoen kan een vrouwtje flink zwaarder zijn.
Het opvallendste contrast zie je bij de jongen. Een pasgeboren welp is ongeveer 25 centimeter lang en weegt rond de 600 gram. Dat is bijna absurd als je het naast een volwassen dier zet dat meer dan een halve ton kan wegen. Van een klein, blind jong in een sneeuwhol naar een topjager op het zee-ijs: groter kan het verschil bijna niet zijn.
De eerste maanden van een ijsbeer spelen zich af in een sneeuwhol
Alleen drachtige vrouwtjes houden een echte winterrust. Zij graven of gebruiken een sneeuwhol waarin de jongen worden geboren, meestal in december of januari. Vaak zijn het er twee, soms één tot vier.
Bij de geboorte zijn de welpen blind, klein en kwetsbaar. In maart of april verlaten ze het hol. Dan zijn ze ongeveer drie maanden oud en wegen ze al 9 tot 11 kilo. Dat zegt veel over de rijke moedermelk waarop ze in die eerste periode teren.
Jonge dieren blijven 1 tot 3 jaar bij hun moeder. Pas na 24 tot 28 maanden worden ze zelfstandig. Vrouwtjes zijn geslachtsrijp tussen 3 en 6 jaar, mannetjes tussen 4 en 10 jaar. Volgroeid zijn vrouwtjes rond 5 tot 6 jaar. Mannetjes doen daar langer over en bereiken hun volle formaat pas rond 8 tot 10 jaar.
Dat rustige begin in een sneeuwhol past vreemd genoeg goed bij een dier dat later bijna voortdurend onderweg is.
Een solitair dier dat altijd lijkt te zwerven
De ijsbeer leeft meestal alleen. Het is geen roedeldier en ook geen vaste groepsbewoner. Toch kunnen meerdere beren bij elkaar komen als er veel voedsel is, bijvoorbeeld bij een groot karkas.
In de paartijd, van maart tot juni met een piek in april, worden mannetjes feller. Dan ontstaan er conflicten, en jonge welpen lopen extra risico. Buiten die periode leidt deze soort vooral een zwervend bestaan.
Dat zwerven heeft alles te maken met het pakijs. De ijsbeer volgt geen strak afgebakend territorium zoals sommige landroofdieren. Hij beweegt mee met de rand van het ijs, met open water en met de plekken waar zeehonden opduiken. Over land kan hij tot 20 kilometer per dag afleggen. Het gebied waarin hij leeft en jaagt verschilt sterk per populatie: soms 100 tot 8000 vierkante kilometer, soms veel kleiner.
Dat maakt hem lastig in een simpel hokje te stoppen. Het is een beer, maar tegelijk ook een reiziger van drijfijs en kustwater.
De ijsbeer staat bovenaan de voedselketen, maar is toch kwetsbaar
Dat is misschien wel het opvallendste aan de ijsbeer. Hij is een topjager. Volwassen dieren hebben nauwelijks natuurlijke vijanden; de mens is de belangrijkste uitzondering. Toch is de soort zelf kwetsbaar.
De grootste druk komt van het verdwijnen van zee-ijs. Minder ijs betekent minder jachtplekken en minder toegang tot zeehonden. Daarnaast spelen vervuiling, menselijke activiteiten zoals olie- en gaswinning, mijnbouw, scheepvaart, toerisme, conflicten met mensen en illegale jacht een rol.
Sinds 2015 staat de soort als kwetsbaar geregistreerd. Al eerder werd bescherming afgesproken: in 1973 sloten landen uit het Noordpoolgebied een verdrag om de ijsbeer te beschermen, met uitzonderingen voor traditionele jacht.
Nog een bijzonder detail uit zijn familiegeschiedenis: de soort ontstond uit Siberische populaties van de bruine beer, ongeveer 600.000 jaar geleden. Die verwantschap is nog steeds zichtbaar, want beide soorten kunnen in zeldzame gevallen kruisen. Zulke dieren worden soms ijsgrizzly’s of pizzlyberen genoemd.
FAQ over de ijsbeer
Wat eet een ijsbeer?
Vooral zeehonden, zoals ringelrobben, baardrobben, zadelrobben en klapmutsen. Daarnaast eet hij ook aas van walrussen en kleinere walvissen, vis, zeevogels, eieren en soms planten zoals bessen en gras.
Waar leeft de ijsbeer?
Op zee-ijs en langs kusten in het Noordpoolgebied, onder meer in Canada, Groenland, Rusland, Alaska en Noorwegen.
Hoe groot wordt een ijsbeer?
Mannetjes worden meestal 2,3 tot 2,6 meter lang en wegen vaak 300 tot 800 kilo. Vrouwtjes zijn kleiner en komen meestal uit op 1,8 tot 2 meter en 150 tot 300 kilo.
Houdt een ijsbeer winterslaap?
Niet zoals veel andere beren. Alleen drachtige vrouwtjes houden winterrust in een sneeuwhol om hun jongen te krijgen.
Hoe oud wordt een ijsbeer?
In het wild worden veel dieren 15 tot 18 jaar oud. De levensduur kan oplopen tot ongeveer 20 tot 30 jaar. De oudste bekende wilde ijsbeer werd 32 jaar.



