Een distel vol stekels lijkt niet meteen een handige eetplek. Toch hangt de putter er doodleuk ondersteboven aan, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Dat acrobatische gedoe past perfect bij deze vogel. Hij is klein, nog geen 14 centimeter lang, maar trekt meteen de aandacht met zijn rode gezicht en felgele vleugelstreep.
Wie hem eenmaal heeft gezien, vergeet hem zelden. De putter, ook bekend als distelvink, oogt bijna alsof iemand hem met zorg heeft ingekleurd. En achter dat opvallende uiterlijk zit ook nog een mooi verhaal, want zijn naam komt van een oud kunstje met water.
Aan dat gele streepje herken je hem meteen
Soms zie je eerst alleen een flits. Zwart, wit, geel, weg. Toch is dat vaak al genoeg. In vlucht valt vooral de brede gele baan op de vleugel op. Die springt er echt uit.
Van dichtbij is de vogel nog opvallender. Een volwassen putter weegt maar 14 tot 19 gram, maar heeft een rood gezichtsmasker, een zwart-witte kop, bruine bovendelen en lichte onderdelen. De staart is zwart met witte vlekken en licht gevorkt. Ook de snavel valt op. Die is lang en spits voor een vinkachtige, en dat is geen toeval. Hij is gemaakt voor gepriegel tussen zaden en stekels.
Jonge vogels zien er heel anders uit. Die missen het rode masker nog en ogen grijzer en bruiner. Wie een wat fletse vogel ziet met toch al die gele vleugelstreep, heeft dus kans op een jonge putter.
Mannetje of vrouwtje? Daar moet je goed voor kijken
Bij sommige vogels zie je het verschil meteen. Bij de putter moet je beter opletten. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar.
Vogelaars letten vaak op het rode masker. Bij een mannetje loopt dat meestal tot voorbij het oog. Bij een vrouwtje stopt het rood vaak ongeveer halverwege. Ook zijn de donkere delen bij mannetjes vaak wat dieper van kleur. Dat klinkt als gepriegel, en dat is het ook. Meestal zie je eerst gewoon een mooie, bonte vink. Pas later ga je turen naar oograndjes en schouderkleur.
Dat maakt deze soort juist leuk. Je bent niet na één blik klaar.
Zijn zang klinkt als kleine belletjes in de lucht
De putter verraadt zich vaak eerder met geluid dan met kleur. Zijn zang is hoog en levendig, met een tinkelend en kwetterend karakter. Veel mensen herkennen ook de roep, die klinkt als iets in de richting van “tswit-wit-wit” of “tiedeliet”.
Vaak hoor je dat geluid terwijl hij vliegt. Dat geeft iets vrolijks. Alsof er even een handvol kleine belletjes door de lucht gaat. De zang past goed bij zijn drukke manier van bewegen. Deze vogel zit zelden lang plechtig stil te wezen.
Vroeger werd hij daarom vaak als kooivogel gehouden. Niet alleen om zijn uiterlijk, maar ook om zijn zang en leervermogen. Daar komt ook de naam vandaan. Putters leerden om water te “putten” met een klein emmertje of vingerhoedje. Het is zo’n oud detail dat deze vogel meteen meer karakter geeft.
Distels zijn geen probleem, maar juist het hoofdgerecht
De bijnaam distelvink verraadt al veel. De putter eet vooral zaden, en distelzaden staan hoog op het menu. Ook zaden van kaardenbollen, paardenbloemen, zonnebloemen, klissen, berk, els, lariks, chicorei, vlas en andere planten worden gegeten.
Het leuke is niet alleen wat hij eet, maar vooral hoe. Een putter hangt geregeld ondersteboven aan een plant om net dat ene zaadje te pakken. Wie er eentje bezig ziet, blijft vaak vanzelf even staan. Het is geen wilde acrobaat met veel spektakel, maar wel een secuur vogeltje dat precies weet wat het doet.
Nog mooier is een detail dat je niet meteen ziet. De rode veertjes in het gezicht zijn extra stug. Dat helpt bij het eten tussen stekels. Dat masker is dus niet alleen mooi, maar ook handig.
Bij kaardenbollen laat hij helemaal zien wat hij kan. In grote delen van zijn verspreidingsgebied is hij de enige vogel die goed bij het zaad onderin de lange, stekelige buisjes kan komen. Waar andere vogels afhaken, begint voor hem het feest pas.
In de winter verschijnt hij ook bij voedertafels. Vooral zonnebloempitten trekken hem aan. Zie je in een tuin ineens een kleine, bontgekleurde vink met een gele vleugelstreep, dan kan het zomaar raak zijn.
Een rommelige berm is voor hem beter dan een strak gazon
De putter houdt niet van kaal en netjes. Hij zoekt plekken waar iets te halen valt. Denk aan ruige bermen, braakliggende stukjes grond, boomgaarden, parken, tuinen en buitenwijken met genoeg planten die zaad dragen.
Oorspronkelijk leefde deze soort langs zonnige randen van vochtige loofbossen. Intussen heeft hij zich goed aangepast aan landschappen waar mensen veel invloed op hebben. Daardoor kun je hem op verrassend veel plekken tegenkomen, ook dicht bij huis.
Voorwaarde is wel dat er wat rommel mag blijven staan. Distels, paardenbloemen en andere zaaddragende planten zijn voor deze vogel veel waard. Een tuin of groenstrook die niet overal kort gemaaid wordt, is voor een putter vaak aantrekkelijker dan een perfect strak veld.
In Nederland is het een algemene vogel die het hele jaar te zien is. De aantallen zijn sterk toegenomen. Voor de broedpopulatie worden 35.000 tot 43.000 paren genoemd. Dat maakt de kans groot dat hij dichterbij leeft dan veel mensen denken.
Buiten het broedseizoen is hij graag in gezelschap
Een putter is geen eenling. Grote delen van het jaar leeft hij in groepen. In de winter kunnen dat zwermen van 40 tot 50 vogels zijn. Zo’n groep zoekt samen voedsel en blijft vaak in elkaars buurt.
Dat levert leuke taferelen op. Een paar vogels die tegelijk in een elzenboom hangen. Een groepje dat neerstrijkt op uitgebloeide planten. En dan ineens weer allemaal tegelijk opvliegt, met die gele vleugelstrepen als korte lichtflitsen.
Tijdens het broedseizoen verandert dat. Dan wordt het rond het nest een stuk kleinschaliger. Het broedterritorium is klein, ongeveer 250 vierkante meter. Voor voedsel vliegen de vogels wel verder weg. Soms broeden meerdere paren losjes bij elkaar, tot zo’n tien paren in elkaars buurt.
De trek van de putter verloopt vrij onopvallend. Een deel blijft het hele jaar, een deel trekt over kortere afstand weg. Vooral in oktober is die trek merkbaar. Vrouwtjes en jonge vogels trekken vaak verder dan mannetjes.
Het nest zit slim verstopt tussen dunne twijgen
Wie een putternest zoekt, moet geluk hebben. Het zit meestal goed verborgen tussen bladeren en dunne twijgen in bomen of struiken, vaak lager dan 10 meter boven de grond.
Koppels vormen zich al in de winter. Het broedseizoen loopt van april tot in de nazomer. Meestal zijn er twee legsels per jaar, soms drie. Een legsel telt vaak 4 tot 6 eieren, met uitschieters van 3 tot 8. De eieren zijn bleek blauwwit en hebben paarsgrijze vlekjes of roodachtige stipjes.
Het vrouwtje bouwt het nest. Het mannetje helpt door materiaal aan te dragen, zoals gras, mos en veertjes. Na 9 tot 15 dagen komen de eieren uit. De jongen vliegen na 13 tot 18 dagen uit en krijgen daarna nog ongeveer 10 dagen voer van de ouders.
Opvallend genoeg krijgen jonge vogels geen zaden als hoofdmaaltijd. De ouders voeren vooral insecten, zoals bladluizen, rupsen, kevers en miereneitjes. Dat levert de voedingsstoffen die snelgroeiende jongen nodig hebben.
Zie je in het broedseizoen een nest of jonge vogels, laat ze dan met rust. Nesten van wilde vogels zijn beschermd. Lijkt een vogel ziek of gewond, neem dan contact op met een dierenarts, vogelopvang of andere deskundige hulpverlener.
De putter hangt ook in musea
Niet veel vogels zijn tegelijk thuis in een berm én op een beroemd schilderij. De putter wel. Het bekendste voorbeeld is Het puttertje van Carel Fabritius. Ook op oudere religieuze schilderijen duikt deze vogel geregeld op.
Dat is niet zo vreemd. Hij is klein, sierlijk en meteen herkenbaar. Kunstenaars hadden aan één gele streep en dat rode gezicht al genoeg. Toch is het grappig dat zo’n opvallende vogel in het echt vaak gewoon tussen onkruid en ruige planten zit te eten.
In de natuur heeft hij intussen ook gewoon zijn eigen rol. Hij eet veel zaden en beweegt zich door allerlei halfopen landschappen. Zelf moet hij uitkijken voor roofvogels zoals sperwers en valken. Eieren en jonge vogels lopen ook risico door andere roofdieren.
Misschien maakt juist dat contrast hem zo leuk. De putter past op een schilderij, maar net zo goed op een vergeten hoekje van een parkeerterrein waar distels mogen blijven staan.
FAQ
Hoe herken je een putter?
Let op het rode gezichtsmasker, de zwart-witte kop en vooral de brede gele vleugelstreep. In vlucht valt die gele baan vaak het eerst op.
Wat eet een putter?
De putter eet vooral zaden, met een duidelijke voorkeur voor distels. Ook zaden van kaardenbollen, paardenbloemen en zonnebloemen staan op het menu. Jonge vogels krijgen vooral insecten.
Waar leeft de putter?
Je vindt hem in halfopen gebieden met veel zaaddragende planten, zoals parken, tuinen, boomgaarden, bermen en buitenwijken.
Hoe groot wordt een putter?
Deze vogel wordt ongeveer 10,5 tot 14 centimeter lang en heeft een spanwijdte van 21 tot 25 centimeter.
Wat is het verschil tussen een mannetje en een vrouwtje putter?
Bij een mannetje loopt het rode masker meestal tot voorbij het oog. Bij een vrouwtje stopt het rood vaak ongeveer halverwege het oog.



